Alle artikelen | februari, 2013

Jongens op schaatsen

Vrijdag 8 februari. Soms lopen dagen anders dan je verwachtte. Eigenlijk gebeurt dat best vaak. Erg is dat niet, als je even de tijd neemt om in te spelen op de ontstane situatie en er zelf niet al te onrustig van wordt. Ik probeer het als een uitdaging te zien waar ik op dat moment mee om moet gaan. ’s Morgens ontleden, maar omdat Marty er niet is, ben ik tegelijkertijd ambulant. Dus: ontleden in de basisruimte, zodat ik ook andere kinderen kan helpen indien nodig. We zitten aan de grote tafel en dit geeft ons de mogelijkheid (die ik anders niet had) om met zijn allen een spel te doen. “Een rare koelkast kauwt op het vuur en jij danst”  en “De grappige vent fiets in de kast, maar jij voetbalt” zijn zinnen die geschreven worden als ieder om de beurt een lidwoord+bijvoeglijk naamwoord, een zelfstandig naamwoord, een werkwoord, een voorzetsel, een lidwoord+zelfstandig naamwoord, een voegwoord en een werkwoord op mag schrijven en daarbij steeds het blaadje doorgeeft. Een grappig begin van de dag.

Dan schaatsen. Er rijdt een auto minder naar de schaatsbaan dan ik had gedacht, maar toch lukt het om iedereen die mee wil mee te nemen. Gisteren stoeiden de jongens, vandaag zoeken ze op de schaatsbaan een andere uitdaging. Rondjes schaatsen is niet genoeg. Ze vinden een stootkussen, zetten het rechtop en schaatsen er zo hard tegenaan dat het omvalt en zij eroverheen vallen. Ze hebben plezier, maar ik vind het te gevaarlijk voor jongere kinderen die ook op dat stukje schaatsen. Bovendien zijn stootkussens daar niet voor bedoeld. De jongens stoppen en gaan op zoek naar iets anders. Natuurlijk vinden ze dat. Op het kleine binnenbaantje liggen aan de zijkant stokken van pilonnen: hockeysticks! Een stuk ijs is de puck. Ik kom kijken: “We zijn aan het hockeyen!” roepen ze uitgelaten. Rowan (5) en Simon (7)  schaatsen en krabbelen daar ook. Als de grotere jongens weg zijn, grijpen zij hun kans. Simon pakt een stok en schuift een stuk ijs naar Rowan toe: “Daar komt-ie…”

Eerst kijken en dan zelf doen. Hoe vaak leren kinderen  van elkaar door na te doen wat ze gezien hebben? Als je goed oplet, zie je het overal om je heen.

Vind je dit een leuk bericht? Deel het!
0 reacties

Stoeien tot je niet meer kan

Donderdag 7 februari. Buiten. Jongens stoeien. Proberen elkaar uit, ontdekken grenzen. Ik ga erbij zitten en kijk ernaar. Zie een 11-jarige een 16-jarige pakken, tenminste, hij probeert het. Het lukt ook wel, maar al snel ligt hij zelf op de grond. Als hij na een tijdje ‘ stop’ zegt, laat de 16-jarige hem los en begint het van voren af aan: 11-jarige tackelt 16-jarige en ligt al heel gauw zelf onderop. ‘ Stop’ zegt hij niet zo snel. Als ik denk: ‘ nu zal hij het toch wel genoeg vinden’ , laat hij het er niet bij zitten en gaat weer achter de  16-jarige aan. Deze twee zijn niet de enigen die buiten zijn. Andere jongens eromheen, 9, 12 en 15 jaar oud. Ze kijken.  Bemoeien zich er soms mee, gooien met blaadjes en takjes. Op dat moment zeg ik ‘ stop’. Degene die onderop ligt hoeft niet ook nog eens bekogeld te worden.

Iets later loopt het toch uit de hand. Ze zijn inmiddels in de speeltuin. Nadat de 11-jarige is opgestaan na het zoveelste stoeipartijtje, gooit een van de jongens een dennenappel. Nu wordt het een gevecht in plaats van stoeien. Wat er dan gebeurt is dit: de kijkende jongens hebben door dat ze echt ruzie hebben: ” Nu is hij echt boos. Kom, we halen ze uit elkaar.” Twee jongens gaan er op af en trekken de vechtende jongens van elkaar af. Ieder loopt met een van hen naar binnen. Daarna wordt het stil. De 11-jarige is boos en zit alleen in een ruimte. Om de beurt gaan de jongens naar binnen om te vragen wat er nou precies gebeurde. Later vraag ik of hij nog behoefte heeft aan een gesprek met degenen met wie hij heeft gestoeid/gevochten. ” Vandaag niet.” Dat is duidelijk. Morgen zal ik het nog eens vragen.

 

Vind je dit een leuk bericht? Deel het!
0 reacties

Ha, kleuters

Woensdag 6 februari. Waarom is het zo leuk om met kleuters iets te ondernemen? Het is altijd verrassend en spannend, wat je ook doet. Vandaag zat Keiro (4) te kijken in het Guiness Book of Records. Toen hij daarmee klaar was zette hij het zelf terug in de kast. “Oei, het is wel zwaar!” en wilde hij wel een spelletje doen. Ik had ‘story-cubes’ bij me: negen dobbelstenen met afbeeldingen, waarmee je zelf een verhaal kunt vertellen.

Ik gooide de dobbelstenen, pakte er een en begon te vertellen: “Er was eens een kasteel en in dat kasteel… ” ik legde een tweede dobbelsteen met plaatje ernaast en vertelde verder, tot de 9 dobbelstenen aan bod waren geweest en ze ‘nog lang en gelukkig leefden’. “Nog een!”, zei Keiro meteen. “Nu mag jij”, ‘zei ik. Dat wilde hij wel! Negen dobbelstenen in twee handen houden is nog best moelijk. Dan gooien en … verzinnen:  Een woestijnplant kon lopen en pakte een zaklamp om beter te kunnen zien. Fantastische verhalen met veel wandelende voorwerpen verzon Keiro. Intussen was Artemisia (3,5 jaar, zusje van Rowan, begint langzaam met wennen op De Vrije Ruimte), erbij komen zitten. Zij wilde ook wel gooien. Zelf vertellen was een beetje eng, maar met hulp van haar vader en daarna van haar broer, lukte het wel.

“Nu gaan we koek snijden”, zei ik. Keiro en Artemisia wilden graag  helpen. Keiro legde de koek op een bord en Artemisia smeerde boter op de plakjes.  Simpele handelingen zijn het,  je doet ze voor, zij doen ze na. Je doet het samen, je benoemt wat je doet en wat je ziet: “O, dat is een beetje teveel boter, smeer er maar iets minder op.” Spelenderwijs leren kleuters wat ze nodig hebben in hun leven.

Vind je dit een leuk bericht? Deel het!
0 reacties